vrijdag 28 december 2018

Gedachten

Onlangs had ik met enkele anderen een overleg bij busmaatschappij Keolis, die onder meer in Zwolle het busvervoer moet uitvoeren. Of men schuldbewust, misschien boos dan wel geïrriteerd was, dat zou daar waarschijnlijk gaan blijken. Uitspraken, ook van mij, hadden dusdanige emoties opgewekt dat er een gesprek diende plaats te vinden.

In een krantenartikel werd duidelijke taal gesproken. De praktijk was dat, hoe alert ik ook was geweest, er mij een aantal woorden in de mond waren gelegd. Toegegeven, ik zou de uitspraak gedaan kunnen hebben, maar dan in andere, veiliger omstandigheden. Zeker niet tegenover een journalist.

Door bijgaande foto liep juist ik de grootste kans om door buschauffeurs tot zondebok gemaakt te worden. Best wel begrijpelijk overigens, want velen zijn juist aardig en behulpzaam.

Aanvankelijk was ik wel tevreden. Boven het artikel in de papieren versie stond ’Zwolle: betere afspraken over vervoer gehandicapten’ en ook in dikke letters ’niet iedere chauffeur is even subtiel’. Terecht suggererend dat ik dit zou hebben gezegd. Echter, de volgende dag bekeek ik een online versie van dezelfde krant en zag mij een andere uitspraak doen: 'Chauffeurs rijden hard en zijn chagrijnig: Zwolse rolstoelers mijden de bus’. Grotendeels waar, maar chagrijnig?

Een week eerder werd Toegankelijk Zwolle, waar ik als ervaringsdeskundige aan verbonden ben, door een journalist van de Stentor benadert. Betreffende de aanstaande aanbesteding voor het openbaar vervoer in Overijssel, dus ook in Zwolle. Het was hem opgevallen dat desgevraagd noch de gemeente, noch de provincie en ook de busmaatschappij niet bekend waren met klachten van mensen met een beperking, maar Toegankelijk Zwolle des te meer!

Die ochtend was de afspraak. Een buslijn ontbrak, een taxi verdomde ik en omdat de afstand meeviel werd het optie drie. Het was koud, maar belangrijker, droog. Dat ik slordig voorwerk had gedaan zou blijken. Binnen een half uur was ik zo’n beetje gearriveerd. Tussen mij en daar waar ik heen moest zat nog slechts 50 meter. En een flinke heg, met daarachter een drukke weg. Aai, had ik dus toch bij die oversteekplaats van een paar minuten terug moeten zijn.

In gedachten verzonken reed ik dus maar terug, lette niet goed op en schampte met mijn rolstoel tegen de heg langs het fietspad. Nu heb ik op mijn rolstoel een aan-uit-knop onder de rechter armleuning. Één van de risico’s die iemand als ik daarbij kan lopen werd op dat moment duidelijk. Door mijn stuurmanskunst schampte de betreffende knop langs een takje. Oftewel, rolstoel inclusief Geert uitgeschakeld.

Daar sta je daar. Genoeg mensen in de buurt, maar die rijden in een auto heel hard voorbij. Na een aantal minuten komt er iemand op de fiets voorbij, maar of ik praat te zacht of misschien had diegene muziek op de oren. Hoe lang ik daar gestaan heb, ik weet het niet. Al met al werd ik geholpen en kon het gesprek een half uur later dan gepland plaatsvinden. Het was zinvol denk ik. Er werden beloftes gedaan betreffende bewustwording bij chauffeurs door middel van training. Wat daarvan terecht zal nog moeten blijken

Na afloop werd er een bus uit de stalling getrokken en werd ik naar huis gebracht. Wel een mooie kerstgedachte, toch?

maandag 10 december 2018

Kindervriend

Inmiddels durf ik mijzelf te bestempelen als zijnde een object dat zo nu en dan bij kinderen een soort van moreel besef aanwakkert. Maar andersom ontbreekt dat ogenschijnlijk behoorlijk. Dit vraagt om een uitleg.

Het was mij vaker opgevallen en pas geleden gebeurde het weer. Kennelijk vinden kinderen mij de moeite waard om te begroeten, want geregeld wordt er mij een "hoi" of "hallo" toegeworpen. Eerlijk is eerlijk, de lichaamstaal en blik in de ogen verraadt meestal gelijktijdig met het vriendelijke begroeten een onzekerheid, wat ik ergens maar al te goed begrijp.

Ook al vind ik mijzelf vriendelijk naar kinderen toe, ondanks mijn onderwijs-verleden is de term kindervriend natuurlijk lulkoek. Toch, de begroetingen zijn er weldegelijk. Waarom? Dit verbaast mij. Ik glimlach natuurlijk vriendelijk terug, maar denk stiekem ’ken ik jou? Ik ben toch niet de plaatselijke, sneue debiel?’ Heeft het ermee te maken dat kinderen anno nu assertiever zijn geworden, dit wel durven? Voorheen sprak ik echt niet zomaar een persoon aan! Laat staan iemand in een rolstoel! Of lag dat aan mij, Meneer Schijthaas?

Moet ik deze vriendelijkheid maar niet te letterlijk interpreteren? Maar hoe dan wel? Is het een vorm van beleefdheid? Misschien, al betwijfel ik dat. Volwassenen groeten uit beleefdheid, weet ik uit ervaring, kinderen toch niet? Of heeft het te maken met het feit dat ik in een rolstoel zit en een passerend kind zich even geen raad weet met mijn verschijning in zijn of haar nabijheid? Niet iedere passant wordt door een kind spontaan begroet, waarom Geert dan wel. Of dit voor iedere rolstoelfan geldt durf ik niet te zeggen.

Onlangs had ik weer eens ruzie met mijn kinbesturing. Op het fietspad stond ik stil, op zoek naar de juiste positie om mijn weg te vervolgen. Een jongetje van ongeveer tien fietste mij van achteren voorbij, keek om, keerde even verderop om en kwam weer naar mij toe. Of ik hulp nodig had. Wat bijzonder van dit meneertje. Ik bedankte hem vriendelijk. Jammer dat ik zijn ouders niet met deze daad kon complimenteren. Dus toch beleefdheid?

Overigens kan ik het ook niet laten om van mijn kant de confrontatie met kinderen op te zoeken. Niet door te groeten, maar door mijn tong uit te steken. Waar ik ook ben, in een winkel of onderweg, als een kind mij aanstaart steek ik bijna als een automatisme mijn tong uit. Of dit pedagogisch verantwoord is weet ik niet, de reacties die ik krijg zijn geweldig. De een draait het gezicht zwaar verlegen meteen van mij af, een ander gaat de strijd aan met mij en steekt terug. Verbaasde ouders tot gevolg, die hun kind aanspreken en mij als aanstichter niet zien.

Dit automatisme van de tong uitsteken heeft mij, toen ik een zijspanmotortocht mocht maken, flink opgebroken. Met Bert had ik afgesproken dat bij oogcontact met hem ik zou grijnzen als het goed ging en mijn tong zou uitsteken bij negativiteit. Toen hij onderweg overduidelijk uit enthousiasme zijn duim naar mij opstak, stak ik zonder nadenken mijn tong uit. Binnen drie seconden stonden wij stil. Stom! Sorry! Misselijk!

Hoe vriendelijk ook bedoeld, soms laat ik het kind in mij spreken. En spelen!