dinsdag 21 december 2021

Ballen

‘Oh, cute!’ Ook hoorde ik al eens dat het een lieverd, poepie of leukerd is. Alsof medewerksters van waar ik woon, het betreft in dit geval toch echt alleen maar vrouwen, spraken over mijn nieuwe puppy, die ik helemaal niet heb.

Het kerstboompje op mijn tafel roept soms al dan niet oprecht vertederende reacties op. Terwijl het absoluut geen bijzondere verschijning is en nog een neppert ook. Uit zowel praktisch oogpunt als gemakzucht is trouwens al het groen in mijn huis volledig nep. Gefronste wenkbrauwen hierover doen mij niets. Sorry!

Tot zeven jaar geleden wilde ik nauwelijks kerstfrutsels in huis hebben, laat staan een boom. Waarom? Daarom! Op mijn vraag antwoordde Wyanne: ‘Klopt! Voor jou hoefde dat allemaal niet. Uit pure ellende heb ik destijds maar lichtjes in de kamerplanten gehangen.‘ Belachelijk natuurlijk, wat schaam ik mij daarvoor. Dat ik niets met kerst heb en een boom weigerde, dat kan gebeuren. Maar niet als ik nog met een levenspartner te maken heb, die dit juist wel wil. Maar laat ik mezelf niet teveel afkraken. Ik wist niet beter. Gelukkig kreeg ik te horen dat toen de twee dochters er waren, ik al enigszins bekeerd was en wij wel een kunstkerstboom hadden met onbreekbare ballen.

Inmiddels staat er zelfs een tweede kerstboom in mijn huis. Uiteraard ook een neppert, maar deze is van hout en steen. Sommigen zullen het al raden. Natuurlijk is het een van de prachtige kerstbomen van mozaïeksteentjes, door mijn zus Corinne met de hand gemaakt.

De ommezwaai naar het tolereren van een kerstboom verliep verre van geleidelijk aan. Van een vriendin kon ik haar kunstkerstboom van meer dan twee meter hoogte krijgen. Dit aangevuld met een aantal dozen met een veelheid aan ballen en slingers en een mooi groot rieten omhulsel om de metalen standaard onderaan te verhullen. Dit laatste detail zou twee jaar later het einde van de boom in mijn huis betekenen.

De neppert was groot en zwaar en bestond uit drie delen. Gebruiksvriendelijk zou ik die constructie niet noemen. Gelukkig had ik beneden nog een schuur om dit een ruimtevretende gevaarte weg te werken. De betreffende vriendin hielp mij de eerste keer met het opzetten en versieren van de boom. Het werd een plaatje! Ja, zelfs ik was verkocht.

Een jaar later waren mijn dochters zo lief om als verrassing de boom in elkaar te zetten en te versieren. Toen ik thuiskwam was ik blij, maar concludeerde wel meteen dat de rieten mand, die om de voet moest, was vergeten. Hoezo mierenneuker? Het advies ‘Papa, dat doen wij volgend jaar wel weer’ negeerde ik en aan een medewerker vroeg ik de boom ‘even’ op te tillen, zodat Susanna het omhulsel eronder kon schuiven. Tien tellen later lag de boom horizontaal, tussen heel veel scherven. Begrijpelijk, de kerststemming zat er goed in!

Gelukkig had ik wel de ballen om sorry te zeggen en waren er ook nog meer dan genoeg ballen op voorraad om de boom voor een tweede keer op te tuigen. Het besluit om enkele dagen na kerst de boom weer weg te geven was niet moeilijk.

Ach, wat is nep en wat is echt als het om kerst gaat?

 

donderdag 2 december 2021

Plaatjes

Het idee kwam zeker weten van haar en ik mocht meeliften.

Volgens mij waren wij zo’n twee maanden geleden bij mij thuis en kwam tijdens de koffie al pratende het plan ter sprake. Dat kwam erop neer dat zij het maken van een fotoserie voor ogen had. Met afbeeldingen rond mensen met een beperking, maar dan een ietsje anders.

Nadat Nynke alles verteld had was ik enthousiast geworden; een ‘nee’ was gewoonweg geen optie. Zodra het kon ging ik online om naar voorbeelden te zoeken van situaties die volgens mij de lading dekten. Het ging dus om het vastleggen van mensen die ondanks een beperking op hun manier gewoon deelnemen aan de samenleving. Aangevuld met eigen creativiteit doemden voorzichtig al enkele beeltenissen achter mijn ogen op.

Zo verliep, volgens mij althans, het verhaal achter dit fotoproject. Toch twijfelde ik. Niet dat dit ook maar een beetje belangrijk is, maar hoe zat het ook alweer? Het ging anders, bleek toen ik het Nynke vroeg. ‘Het was inderdaad tijdens de koffie bij jou. Wij kregen het over in een rolstoel model zitten, maar dan wel naakt. Zo kwamen wij terecht op het idee van mij voor het maken van die fotoserie.’ Omdat ik mij niet kan voorstellen dat ik uit het niets met haar over naakt in een rolstoel zitten praat, laat staan als model, moesten we verder in dat ene ongedefinieerde moment graven.

Toen wist ik het weer. In eerste instantie kwam de sauna en zo’n onvermijdelijk ijskoud dompelbad ter sprake. Zodoende ging het daarna over koud afdouchen en hoe gezond dat schijnbaar is. We daagden elkaar uit om onszelf dit dagelijks te laten ondergaan en, geloof me, sindsdien eindig ik iedere ochtend onder een koude waterstraal. Hooguit twintig seconden, lang zat. ‘Oja’, vervolgde Nynke. ‘Maar daarna ging het toch echt over schilderen en onder andere naakt model zitten in een rolstoel, want op die manier kwam mijn idee van een fotoserie rond inclusie aan bod. Jij had het al spoedig over een blinde dominee op de kansel met een hulphond onderaan het trapje. Volgens mij ging toen het balletje rollen.’

En zo was het project geboren. Het zou gaan over mensen met een beperking, terwijl ze met werk of hobby bezig zijn. Maar op de afbeeldingen zou de beperking niet direct duidelijk moeten zijn. Niet omdat deze er niet mag zijn, wel om de aandacht te richten op dat wat er pas echt toe doet. De eerste ideeën waren genoteerd, spoedig bleek dat nieuwe suggesties niet als vanzelf ontstaan. Overigens, dat er meer bij zo’n project komt kijken dan wij aanvankelijk beseften is inmiddels ook wel duidelijk.

Een belangrijke vraag was natuurlijk wie de foto’s zou gaan maken. Ons idee ging uit naar een jong iemand, met kennis van zaken en een frisse blik. Zo kwamen we via een docent van het Deltion College in contact Esther, Dide en Estelle, drie tweedejaars studenten van de opleiding fotografie. Inmiddels zijn wij alweer een tijdje onderweg en hebben we verscheidene situaties in beeld gebracht. De resterende plaatjes zitten nog in ons hoofd.

De eindresultaten komen natuurlijk samen, maar hoe en waar? Een kalender, een expositie, allebei?

maandag 15 november 2021

Kaandorp

Op de valreep bedenk ik mij dat er een mondkapje moet worden meegenomen. Dat wordt toch echt verwacht in een taxibusje.

Als ik had geweten dat Kaandorp mijn chauffeuse zou worden had ik dit natuurlijk nooit vergeten. Sterker, dan had ik al zeker een half uur lang een mondkapje gedragen met een voortdurend beslagen bril als gevolg. Zojuist werd ik gebeld door een vrouw die over vijf minuten mijn chauffeuse zou worden. Of ik mij dus klaar zou willen maken. Het zou anders lopen.

Dertig minuten daarvoor had ik mij al laten prepareren. Dus jas aan en urinezak legen, maar dat mondkapje kan ik dus maar niet in mijn systeem krijgen. Omdat ik met een mondkapje niet goed mijn rolstoel kan besturen, laat ik het beschermende lapje op het werkblad van mijn rolstoel leggen om beneden aan de chauffeur te vragen deze bij mij op te doen. Waarschijnlijk niet geheel coronaproof, maar de gemiddelde taxichauffeur doet daar gelukkig niet moeilijk over. Op die ene na!

Beneden uit de lift komend weet ik al vrij snel hoe laat het is. Door de ramen van de hal zie ik haar staan en terwijl ik naar buiten rij is ze bezig om de lift van de bus te laten zakken. Maar met nog tien centimeter te gaan stopt ze daarmee en vraagt mij of ik een mondkapje bij mij heb. ‘Jazeker, maar wil jij deze even bij mij opdoen? Zelf lukt mij dat niet.’ Haar antwoord kwam niet onverwacht, maar wel hard aan: ’Nee, dat ga ik niet doen en dat mag ik ook niet.’ Van verbazing kan ik weinig anders uitbrengen dan: ‘Nou, dan ga ik maar weer naar boven om daar assistentie voor aan te vragen.’

Terug op de eerste verdieping, rijdend op de galerij naar mijn voordeur, zie ik beneden Kaandorp mij nastaren. Zou ze blijven wachten? Binnen hoor ik via de intercom dat assistentie eraan komt. Op de galerij wacht ik de medewerkster op, die inderdaad binnen een minuut arriveert. Onderwijl staat de taxi nog steeds beneden te wachten. Kaandorp moet hebben gezien dat hulp aanstaande is. Nogal flink geïrriteerd roep ik dat als ze graag weg wil gaan, dit zeker niet moet laten. Misschien had ik dat niet moeten zeggen, want spontaan maakt Kaandorp aanstalten om te vertrekken. Beneden aangekomen, met de Fokusmedewerkster achter mij aanlopend, is het taxibusje nergens meer te bekennen. Balen, want ik wil graag naar die ene afspraak in het ziekenhuis. Als ik bel voor een nieuwe taxi en ongenuanceerd mijn ongenoegen uit, krijg ik totaal geen begrip te horen.

Dezelfde taxi komt een half uur later mij alsnog ophalen. Ik kan niet vriendelijk doen, Kaandorp ook niet. Ze zegt dat ze mij nu wel meeneemt, maar een volgende keer moet ik een ander, veilig mondkapje op hebben. Voor alle duidelijkheid, natuurlijk besef ik dat de Kaandorp officieel in haar recht staat. Het staat immers op de website van het taxibedrijf. Maar waarom zo star? Een paar weken geleden weigerde zij mij aanvankelijk ook al om mee te nemen na een week ziekenhuisopname.

Waarom ik haar Kaandorp noem? Ze lijkt sprekend op cabaretière Brigitte Kaandorp, in ieder geval met mondkapje op.

maandag 1 november 2021

Ma

De herinneringen aan haar regen zich aaneen en dan natuurlijk vooral die met mij in een bijrol. Of ik had de hoofdrol, die hoogstwaarschijnlijk niet zonder mijn moeder kon worden vertolkt.

De datum van haar bijzondere verjaardag naderde en ik voelde dat ik aan de slag moest gaan met een schrijfsel. Het werd ook een soort van mij verwacht door mijn zussen en dat snap ik inmiddels ook wel. Daarnaast is het simpelweg mijn ultieme mogelijkheid om de liefde voor mijn moeder te onderstrepen.

Maar hoe stop ik alles wat ik wil zeggen in dat ene stukje tekst. Ook in dit geval ben ik behoorlijk gehandicapt, veroorzaakt door die belachelijke woordentaks die ik hanteer. Iedere blog van mij heeft tussen de 520 en 530 woorden. Waarom? Daarom en ik wijk daar niet vanaf! Ook niet voor de verjaardag van je moeder? Nee, ook dan niet, hoeveel ik haar ook zou willen zeggen.

Er zal dus wel moeten worden gekozen uit al die flashbacks en dat is eigenlijk niet te doen als ik moet hengelen uit een periode van meer dan 51 jaren. Zelfs uit die eerste vier jaar in Den Helder komen er enkele flarden voorbij. Maar helaas, sorry ma, niet specifiek over jou. Wel zie ik dat rode autootje van opa en oma Den Hengst, die NSU. En de tuin, de sloot achter ons huis, de Noordzeestraat.

Hoe belangrijk ze is geweest voor mij vat ik dan ook maar samen in twee mooie voorbeelden. Ten tijde van de Gombertstraat, thuis komend van de middelbare school en de voordeur openzwaaiend smeet ik altijd een luide ‘hoi’ naar binnen. Hoorde ik niets, vond ik het jammer, of juist prima zo. Maar hoorde ik een ‘hoi’ terug van mijn vader, meestal vanuit de studeerkamer, dan antwoordde ik geheid: ‘waar is mama?’

Heel irritant is ook dat mijn moeder bijna altijd gelijk blijkt te hebben. Het ultieme bewijs daarvoor is dat zij, toen ik al niet meer kon sporten, aan mij vroeg of een koor niet wat voor mij zou zijn. Dat was natuurlijk een belachelijk voorstel, vond ik, maar vier weken later was ik als tenor lid van een gezelschap. Geweldig!

Mama, je was de spil in ons gezin, en vaak nog steeds. Ook was jij deze spil in de familie den Hengst. Zelfs durf ik de gedachte aan te gaan of jij de spil bent in mijn leven. Misschien niet, misschien toch wel. Want hoezeer ik dit eigenlijk ook niet wil, omdat jij en papa inmiddels een leeftijd hebben waarop het gemiddelde kind van 51 juist voor zijn ouders zou moeten zorgen, ook nu mag ik vaak nog op jou leunen. Schuldig voel ik mij daar niet over, wel enigszins bezwaard. Maar mijzelf verzetten tegen dit gevolg van mijn ziekte doe ik maar niet meer. Dit heeft al vaak genoeg tot wederzijdse woorden geleid. Ik kan de huidige realiteit accepteren. Sterker, ik besef dat ik van geluk mag spreken dat jouw moedergevoel gewoon oersterk is.

Of ik nu een jengelkont was, een brutale aap, een stresskip of een zorgenkind, ik had en heb nog altijd een liefdevolle ma.

Om alles bewonder ik je!

kus

vrijdag 15 oktober 2021

Protocolder

Die middag was ik zwaar frusti. Het was ook nog eens mijn eigen schuld. Met de relativering dat deze uren niets zijn op een heel mensenleven probeerde ik het leed te verzachten, maar ondanks dat bleef ik zwaar in mineur.

‘Hé hoi’, zeg ik tegen een bekende van mij die mijn slaapkamer binnenkomt. Ze is opgeroepen om als eerste mijn appartement binnen te gaan. ‘Er is niets aan de hand met mij hoor’, vervolg ik. Als zij dit meldt aan een ADL’er in de gang komt deze ook naar binnen. Tegen haar lukt het mij niet om rustig en vriendelijk te blijven. Alle frustraties gooi ik eruit, waar ik zelf ook weer van baal. Het gaat om de gang van zaken, niet om de poppetjes. Hopelijk vat zij dit dan ook niet persoonlijk op.

De situatie was als volgt: ik werd om 12:30 op bed gelegd. Mijn communicatiemiddelen zijn goed aangesloten. Dat betekent een blaaspijpje boven mijn mond om de intercom en mijn smartphone te kunnen bedienen en als back-up een apparaatje wat contact met de medewerkers maakt als ik een hard geluid maak. Als even later een wijkverpleegkundige mij ergens mee komt helpen, moet ze op mijn verzoek beide communicatiemiddelen maar weer even ontkoppelen. Als zij klaar is wordt de blaaspijp weer teruggeplaatst, het stemkastje niet. Door mij totaal niet aan gedacht. Dit realiseer ik mij pas als zij al weg is. Assistentie aanvragen om dit te herstellen zit er niet in, want het blaaspijpje zakt op dat moment dusdanig naar beneden dat ik er met mijn mond never nooit bij kan komen. Een back-up zou op dat moment prettig zijn, maar ja.

Wanneer ik, na flink balen, mijn realiteitszin heb teruggevonden, zoek ik naar mogelijkheden die er nog zijn. Als het goed is weten de ADL’ers die thans werken via een overdracht dat ik op bed lig, dus er ook weer uit wil. Hopelijk gaan ze zich realiseren dat ik nog niet om assistentie heb gevraagd. Maar vanaf 17:30 vraag ik mij af of er überhaupt wel iets is overgedragen. Zou men denken dat ik er niet ben?

Eindelijk, om 19:45 wordt er via de intercom contact gezocht. Reageren lukt dus niet. Ook niet als er gebeld wordt. Daarna blijft het weer lang stil. Graag zag ik op dat moment ADL’ers met een op de unit aanwezige sleutel naar mijn appartement komen. Maar er is dat ene protocol heb ik wel eens begrepen. Kennelijk moet er nu eerst een contactpersoon komen om de deur te openen en mijn huis te betreden. Laat mij duidelijk zijn, ik snap dat er een protocol is en ook waarom. ADL’ers moeten wel beschermd worden.

Had men als laatste poging mijn voordeur maar geopend en naar binnen geroepen. Dan was duidelijk geweest dat er niets aan de hand is. Bij geen reactie had alsnog een contactpersoon kunnen worden gebeld. Als ik dit later aan de regiomanager voorleg, blijkt mijn gedachte de juiste gang van zaken te verwoorden. De voordeur had mogen worden geopend; naar binnen gaan absoluut niet.

Er zal voortaan goed worden benoemd of ik nog op bed lig. Maar een vaste overdracht is niet echt Fokus.

zaterdag 2 oktober 2021

Rollercoaster (2)

Er was dus nog een niersteen die ik niet hoefde te hebben. Vier weken terug werd ik opgenomen met een flinke koorts. Waarschijnlijk was er weer eens sprake is van een blaasontsteking, dacht ik nog. Dit keer bleek het echter om dat andere te gaan. Ook balen!

Het kiezeltje werd niet meteen verwijderd. Door een buisje in de nier aan te brengen kon het kwaad tijdelijk buiten spel worden gezet. Twee weken na thuiskomst, 22 september, moest ik mij melden voor de dubbele verlossing. Ook dat ellendige infuus, waar ik thuis mee moest dealen, zou weer verdwijnen.

Het was tegen 16:00 dat ik op die ene dag in een operatiekamer werd geparkeerd. Vooraf sprak ik al even met de anesthesieverpleegkundige, of hoe heet zo iemand? Eenmaal op de operatiekamer werd ik op de valreep door haar nog even flink geconfronteerd. Het was een mededeling van de volgende strekking: ‘Dat u problemen met ademhalen heeft werd mij wel duidelijk toen wij zojuist ook al spraken. Ik zag u steeds naar adem happen.’ Al weet ik niet waar ze heen wil, ik pareer dit met dat het alleen bij het praten zichtbaar is. Althans, volgens mij. ‘Tijdens de narcose zal de ademhaling nog vlakker gaan worden’, vervolgt ze. Daarom heb ik voor de zekerheid contact gelegd met de Intensive Care om na de ingreep met uw komst rekening te houden. Al is de kans niet groot, het kan zijn dat het lastig wordt om u weer terug te krijgen.’

Door deze uitspraak schrok ik dusdanig dat het mij niet helemaal duidelijk is geworden of er werd bedoeld om mij weer uit de narcose te krijgen, daar waar ik maar vanuit ga, of iets nog definitievers. Veel tijd om hierover na te denken kreeg ik niet. Waarschijnlijk was ik binnen 20 seconden vertrokken.

Toen ik rond 17:00 de ogen opende kon ik al vrij snel weer terugkeren naar dat wat ik van tevoren op de OK hoorde en de gedachte die ik daarover had. Nee, ik was duidelijk niet op de IC en het waren toch echt geen engelen die ik om mij heen zag fladderen.

Alles was spoedig voorlopen, werd mij verteld. Het steentje was vergruisd en wordt nu onderzocht. Maar ik moest nog wel even op de uitslaapkamer blijven om het effect van de narcose op mijn ademhaling te controleren. Dat even bleek tot 22:30 te zijn! Oja, het buisje zat nog steeds in de nier, maar dat mocht ik er over drie dagen zelf uithalen. Daarvoor is er een draadje aan het buisje vastgemaakt wat door mijn pielemans naar buiten hangt. Auwauwauw, dat dacht ik ook!

Die zaterdag hengelde een wijkverpleegkundige het buisje eruit. Pijn is een te groot woord, maar prettig is anders. Terugkijkend op de afgelopen weken besef ik dat ik voortaan maar iets zuiniger op mijn lichaam moet zijn. ‘Alweer?’, zei iemand tegen mij. ’Ik heb jou dit vaker horen zeggen.’ Dat klopt. De intentie is er in ieder geval, maar dat uitvoeren? Of dus juist iets laten.

Over een tijdje zal ik het waarschijnlijk weer zeggen. Iets met achter de feiten aanlopen, terwijl ik al in een volgende achtbaan zit.

vrijdag 24 september 2021

Rollercoaster

‘Mag ik dit zeggen? Ja, dat mag ik zeggen.’ Mart Smeets ten top.

Deze neem ik, danwel met enige reserve, over. Misschien is het nogal overdreven om de vergelijking met een achtbaan te gebruiken. Relativeren is hierbij wel op zijn plaats. Maar mijn gevoel volgend; ik werd in korte tijd wel heen en weer gesmeten.

‘We hebben de juiste antibiotica voor uw situatie te pakken. Helaas is deze niet in tabletvorm. U krijgt het thuis per infuus toegediend. Dagelijks komt de wijkverpleging een nieuwe dosis aanbrengen.’ ‘Jeetje, moet ik dan zo’n paal met mij meeslepen?’ Ik kijk de arts aan en ik knik naar de stellage naast het ziekenhuisbed. Maar de infuustechnologie gaat ook met zijn tijd mee, wordt mij verteld. Die middag kreeg ik alvast een zogeheten picc line in mijn linkerbovenarm aangebracht, waarop thuis de vloeibare medicatie kan worden aangesloten. Als dan alles is geregeld, dus de thuiszorg beschikbaar en ook de antibiotica geleverd, kon ik in principe de volgende dag, dinsdag dus, naar huis. Het werd woensdag.

Een week eerder, woensdag in de late avond, werd ik na een dag ziek zijn met een turbokoorts als climax opgenomen. Een niersteen bleek de oorzaak hiervan. Meteen weghalen, mijn voorstel, was niet mogelijk. Al was de koorts morgen weer weg, ik was nou eenmaal niet de enige op de wachtlijst. Over enkele weken mocht ik op een operatiekamer verschijnen.

Het thuisinfuus werkte prima, aanvankelijk. Maar die zondag viel het een wijkverpleegkundige op dat mijn arm dik, strak en rood was. Ook nogal pijnlijk bij aanraking. Wat bleek, er kon zelfs geen bloed worden opgenomen uit de ader. Foute boel dus. Verstopping? Bij de huisartsenpost was ik beller nummer 17, dus werd 112 maar ingeschakeld. De aanwezige ambulancebroeder verwijderde, na overleg met het ziekenhuis, het foute en plaatste een noodinfuus in de andere arm. De volgende ochtend moest ik maar een afspraak maken om een correct infuus te laten verplaatsen.

Die woensdag kon ik daarvoor pas terecht, maar vanwege de pijnlijke arm moest ik direct maar even naar de spoedeisende hulp komen. Gatver, wat een gezeik. Toen ik daar tweeënhalf uur later arriveerde werd ik vrij snel geholpen. Dat gaat voortvarend, dacht ik toen nog. Er werd een echo van mijn pijnlijke arm gemaakt. Meekijkend op het scherm vraag ik naar de donkere plek die ik zie. Dat is de verstopping, zegt de echo-mevrouw alsof het niets is. Maar ik schrik mij helemaal lam. Anderhalf uur later krijg ik de officiële uitleg: trombose, bloedverdunners.

Twee dagen later dus opnieuw naar het ziekenhuis. ‘s ochtends voel ik nogal wat pijn in mijn onderarm. Ben ook wat kortademig vertel ik aan een arts. Misschien komt dat ook wel door die lompe taxichauffeur, denk ik nog. Als ik klaar ben met een nieuw infuus aan mijn rechterarm, hoor ik dat er in de loop van de dag een CT-scan wordt gemaakt om een longembolie uit te sluiten. Fijn natuurlijk, maar jeetje, wat overkomt mij allemaal! Met de wetenschap van prima longen en dat de pijn in mijn arm vanzelf weg zal trekken, kom ik om 19:15 thuis.

De niersteen is er ook al uit. Wordt vervolgd!

maandag 13 september 2021

Wensen

Op het strand van Ameland was hij als zuigling aangespoeld. 
Overboord gegooid, op een reddingsboei gebonden…

‘De vondeling van Ameland’, door Boudewijn de Groot. Zo’n 17 jaar geleden heb ik die tekst in mijn kop gestampt voor een individueel optreden op een open avond van het koor waar ik lid van was. Dusdanig kennelijk dat ik slechts bij het woord Ameland het geheel als uit het niets zo weer oprakel.

Toen ik mij in januari bij De Hinkelaar aanmeldde om eind augustus een week naar het eiland te gaan, zou dit eerder niet dan wel doorgaan, vermoedde ik toen. Het toenemende vertrouwen werd begin augustus echter definitief bevestigd, waarbij de tekst zich weer verankerde in mijn hoofd. Daar bleef het, zelfs toen er een tweede riedel bij kwam.

Ik ga zwemmen in Bacardi Lemon.
Een echte tijger is niet te temmen…

Niemand minder dan Mart Hoogkamer (wie?) was met dit nummer en bijbehorende clip tot voor kort razend populair in heel Nederland. Het was overduidelijk dat tijdens de gehele Amelander week dit muzikale hoogstandje bij iedere deelnemer in het hoofd zat, zo ook bij mij. Dus raar is het niet, loslaten zat er gewoon niet bij.

Dat niets vanzelfsprekend is weet ik als geen ander. Toch neigde ik daar tegenin te gaan. Met dezelfde stichting was ik vorige jaar naar Texel geweest, met enkele grensverleggende activiteiten al dan niet op het programma. Ook dit jaar wilde ik met mijn hoofd in de golven en op een duofiets zitten. Bier en bitterballen bij een strandtent is eenvoudig te realiseren, maar dat andere?

Blokarten, strandzeilen, stond op het programma. Vanaf daar waar het pad ophield, de rolstoel dus moest achterblijven, werd ik met een speciale tilmat door tien armen achterin een stoere auto geplaatst. De achterklep moest wel dicht, dus werden mijn benen maar naar binnen gepropt. Oh, wat zat ik lekker, maar alles voor een hoger doel! Nog geen tien minuten later werd ik uit de auto bevrijd en volgde een andere beproeving. Met ducttape en enkele spanbanden werd ik met een driewiel-karretje vereeuwigd. Mijn stuurvrouw nam ook plaats en samen vlogen we snoeihard over het strand.

Als ik later in die week in een soort rolstoel zittend golven over mij heen en in mijn neus krijg smaakt de zee weer vies en lekker tegelijk. Ook op pad met een duofiets ging door. Met enige inventiviteit, de bekende spanbanden en ducttape en vooral een persoonlijke drive kon dit doorgaan. Perfect kon ik absoluut niet zitten, dat bleek maar weer, maar daardoor liet ik mij niet tegenhouden.

De goede herinnering aan alles blijft, ook al moest ik vier dagen na thuiskomst naar het ziekenhuis. Iemand vroeg aan mij of het klopt dat ik iedere keer als ik weg ben geweest ziek wordt, blaasontsteking bijvoorbeeld. Of zelfs na het ziekenhuis moet, zoals dit keer met een niersteen en alle gevolgen vandien.

Jeetje, dat zou best wel eens kunnen kloppen, ik hou het niet bij. Wil het eigenlijk ook niet weten. Zou ik mij erdoor laten tegenhouden en maar thuisblijven. Ik wil nog wel op pad kunnen gaan. Heb nog wensen zat.

Of is dat mijn kop in het zand steken?