maandag 17 september 2018

Tik

"Denk je nu echt dat ik voor de lol zo vaak bel? Dat ik jullie aan het treiteren ben? Bellen is zeker geen hobby, het kost mij flink wat moeite."

Het beleefd zijn was binnen drie minuten verdwenen. Ik kon gewoon niet anders dan pislink zijn richting de nieuwe rayonmanager van Welzorg. "Laat ik het omdraaien en juist jouw nieuwe kornuiten beschuldigen van pesten. Lachen, geven ze die zeikerd van een Den Hengst steeds een bijna kapotte accu-oplader. Lulkoek natuurlijk, maar net zoveel als jouw verhaal!"

"Néé, niet weer!" Het was een kleine tik. Tien seconden later nog een. En daarna steeds opnieuw dat onschuldig lijkende geluidje, afkomstig uit de oplader van mijn rolstoel. Te vergelijken met …eh… het getik van de vijf voorafgaande opladers. Deze onbenullige tikjes omvatten een flinke beerput en daarmee behoorlijk wat emoties.

De situatie: zodra Geert in de loop van de avond op bed mag gaan liggen - heel saai maar het is bijna het fijnste moment van de dag - gaat zijn vaste partner aan de oplader. Eerst de plug in de rolstoel, daarna de stekker in het stopcontact. Braaf volg ik deze aanwijzing van mijn Welzorg-vrienden op. Binnen enkele seconden volgt er dan een lichte ’tik’ en gaat er een lampje branden. De oplader doet dan wat hij moet doen.

Gedurende de laatste weken, eigenlijk maanden, is mij enkele keren overkomen dat er na één of enkele minuten een zich herhalend tikgeluid volgde. Dit voor het eerst horend zocht ik er geen kwaad achter, waarbij de volgende dag bleek dat ik dit wel had moeten doen. Vanaf mijn bed kon ik dat niet zien, maar het knipperende lampje onderstreepte dit. Na het defect zijn van de derde oplader twijfelde ik: misschien zat de oorzaak in mijn rolstoel zelf. Maar nee, dat kon niet en ik kreeg onderwijl met alle gemak steeds een nieuwe oplader.

Onlangs, oplader vier had het begeven, ging een verbazend kijkende en misschien wel aan mijn mening twijfelende monteur met een laptop de oplader uitlezen. Het defect werd ook digitaal bevestigd. Dat ik het apparaat ruim twee weken daarvoor als zijnde nieuw had gekregen vond hij gelukkig ook heel raar. Toen de door hem meegegeven oplader afgelopen week ook een fout signaal gaf, kreeg ik zonder morren een opvolger. "Hier heeft u een nieuwe; op de zaak lees ik hem wel uit", zei de monteur, enigszins laconiek. Het later die dag volgende telefoongesprek gaf mij meer duidelijkheid.

Een mail aan de rayonmanager, waarin mijn verbazing ook als klacht kon worden gelezen, werd beantwoord. Ik moest zijn opvolger hebben. Dat deed ik en die belde mij enkele uren later terug. Een goed, enthousiast begin, dacht ik nog. Maar meteen benoemde hij dat ik behoorlijk negatief was en dat de insinuaties die erin stonden onterecht waren. Dat ik put uit heel veel onprettige ervaring beantwoordde hij met: "We streven allemaal hetzelfde doel na, we doen allemaal ons best!"

Besefte ik trouwens wel dat Welzorg de laatste weken wel heel vaak bij mij was geweest? En dat dit natuurlijk niet de bedoeling was. Wat? Hoorde ik hem dreigen? Stond Geert in een zwartboek?

Ik ben toch niet getikt?

donderdag 30 augustus 2018

Negeren

Nooit eerder had ik mij compleet lucht gewaand. Althans, misschien heel naïef, dat is mij nooit opgevallen. De talloze, mislukte pogingen tot communicatie, veroorzaakt door mijn beperkte stemvolume, daargelaten.

Maar nu was het overduidelijk. En omdat er ook geen gehoorapparatuur te bespeuren was, moest meneer wel òf stokdoof zijn, maar dit nog niet accepterend, òf zwaar gefrustreerd gebukt gaan onder de enorme werkdruk bij Welzorg en dit middels stommetje spelen afreageren op klanten.

″Dus er moet een monteur komen?″ Of een adviseur, als het maar iemand met verstand van zaken was. Dat het kussen kapot is had ik allang ontdekt. Niets reparatie! Vervanging was de enige optie, liefst zo snel mogelijk. Mijn logica dat zoiets ook wel telefonisch geregeld kan worden is blijkbaar behoorlijk achterhaald.

Sinds enige tijd krijg ik gedurende de dag een behoorlijke last van mijn kont. Dat klopt niet natuurlijk, want het kussen is er speciaal op gemaakt geen zere kont te krijgen; ook al wordt er dagelijks zo’n 15 uur op gezeten. Om meerdere redenen was ik hier tot nu toe niet genoeg alert op geweest. Ik heb immers wel eens vaker een zere kont wanneer ik niet goed in de stoel zit. Tevens heb ik zowel qua lichaam als rolstoel een bewogen zomerperiode achter de rug. Nee, al met al had mijn kont geen prioriteit gekregen.

Maar onlangs werd ik er weer mee geconfronteerd. Ik greep mijn kans toen ik op bed gelegd werd en de betreffende adl’er de tijd had om namens mij op onderzoek uit te gaan. Onder de buitenhoes bleek dat de voor mijn achterwerk zachtere, met een soort van gel gevulde delen, lek te zijn.

Na overleg kon er twee dagen later iemand komen. Die zou er dan donderdag tussen 8:00 en 13:00 zijn. Ik weet ondertussen dat men geen nauwkeurige afspraken kan maken. Maar mijn uitleg dat ik niet gegarandeerd snel op bed kan liggen zodra er iemand verschijnt en ik het vertik om een hele ochtend op bed te wachten, had in eerste instantie succes. Er volgde een afspraak dat er om 11:00 iemand zou komen. Fijn, ongekend!

Die ochtend lag ik braaf om 10:30 op bed, maar omdat er pas om 13.30 iemand aanbelde, was ik weer terug op aarde. Na een welkomstgroet uitte ik mijn verbazing over het tijdsverschil tussen woord en daad. Daarop volgde totaal geen reactie. Na er nogmaals over te beginnen, antwoordde hij uitvoerig: ″tja, die planning.″ Om de sfeer goed te houden, kwam ik maar ter zake en vertelde wat het euvel was. Ook daar volgde totaal geen weerwoord op. Serieus, zelfs niet toen ik lichtelijk geïrriteerd behoorlijk hard ’hallo’ scandeerde.

Toen hij zijn telefoon pakte bleek hij wel te kunnen praten. Met iemand van de technische dienst begreep ik al snel. ″Wat moet je weten? Een code? Waar staat dat? JAY3 misschien? Oh, dat is het merk en type.″ Ik wilde hem helpen, maar achtte mijzelf ondertussen kansloos. Echter, zelfs de stem uit de telefoon kon mij horen en vroeg om mijn inbreng.

Even later zat zijn taak erop. Er wachten nog veel andere klanten.

Ik heb hem niet genegeerd. Maar wat een eikel!

donderdag 16 augustus 2018

Afzondering

Pyelonefritis, dat is de medische term!″ De arts heeft nauwelijks de kamer verlaten of de verpleegkundige stort haar kennis over mij uit. Misschien is het trots, noem het enthousiasme. Of misschien is het gewoon een soort van beroepsdeformatie en kan ze ondertussen niet meer anders.

Op mijn verzoek schrijft zij het woord op het whiteboard aan de muur waar ik op uitkijk. Boven de tekening die de arts voor mij heeft gemaakt, om hetgeen zich in mijn lichaam heeft afgespeeld visueel te maken. Py-e-lo-ne-fri-tis, herhalen wij om de beurt het woord. Ik omdat dit mooie woord lekker bekt, zij om mijn uitspraak te corrigeren. Mijn gedachten gaan verder. Ik zie een Griekse godin, een collega van Aphrodite.

Het betreft een nierbekkenontsteking, als gevolg van een verwaarloosde blaasontsteking.″ Slordig? Niets van gemerkt, dus domme pech! Kort daarvoor heb ik aan de arts gevraagd waarom ik hier nu eigenlijk ben. Uiteraard snap ik waarom ik in afzondering lig. Maar wat is er nu feitelijk aan de hand met Geert?

Iets meer dan twee weken daarvoor lag ik nog 900 km verderop in een Frans ziekenhuis. Wat daar de oorzaak van was? Ik houd het op een darmontsteking. Eerlijk gezegd is dat niet helemaal duidelijk. Ook mijn huisarts kon niet wijs worden uit de ontslagbrief. Zes weken geleden concludeerde een uroloog middels een scan dat ik twee steentjes in mijn linker nier heb. Maar die konden geen kwaad, hoorde ik toen. Ook nu werden ze maar even genegeerd! First things first!

Dag meneer Den Hengst, daar bent u weer!Net zoals een aantal verpleegkundigen tot dan toe hebben verkondigd, ben ik geen onbekende voor de arts. Dit kan natuurlijk heel goed kloppen. Maar ook tegen haar moet ik mij verontschuldigen dat dit niet wederzijds is. Vanwege mijn recente bezoek aan dat ziekenhuis in Thonon, ben ik met een behoorlijke voorzichtigheid ontvangen. Men is dan bang dat het zogeheten mrsa-bacterie zich in mij huisvest. Liever dat dan Ebola, maar ik mag het niet onderschatten. Vrijwel iedereen die de kamer binnenkomt is onherkenbaar, heeft een speciaal pak aan, een muts op en een lapje voor de mond en de neus. Bezoekers hoeven slechts hun handen te wassen, maar moeten na afloop wel direct het ziekenhuis verlaten

Als de volgende dag de arts aan mij vraagt hoe het met mij gaat, vertel ik dat ik last van mijn maag heb. Of darmen. Ik weet ondertussen dat ik een nierbekkenontsteking heb, maar mijn gevoel traceert mijn klachten toch echt ergens anders. Zij voelt aan mijn buik en concludeert dat deze enigszins is opgezet. Ja, dat weet ik natuurlijk al jaren. Maar er wordt wat anders bedoeld. Aan de aanwezige verpleegkundige stelt de arts voor om een schoorsteentje te plaatsen. Een wat? Dat is een buisje om lucht uit mijn darmen te verwijderen. Driemaal raden waar de stukje tuinslang deels in verdwijnt. Onder Pyelonefritis schrijft de verpleegkundige een tweede woord: Flatuscanule.

Ook al lig ik in afzondering, het is behoorlijk gênant. Het helpt trouwens wel! Op zondagmiddag, een dag voor ontslag, word ik verlost van het mrsa-juk. Ik vorm geen gevaar voor het ziekenhuis.

Ben benieuwd wanneer ik er weer heen mag, …moet!

woensdag 1 augustus 2018

Toch


Graag had ik nog wat langer willen blijven, maar dan wel anders. Het was gedurende de dagen tot dan toe immers een optelsom geweest van fijne, mooie, gezellige, lekkere, grensverleggende en meer van dat soort bijvoeglijke naamwoorden. Ook van intensieve en energievretende, maar dat terzijde.

Ergens had ik een soort van voorgevoel gehad. Geen zelfinzicht, ook ik heb mijn grenzen. Een niet nader te verklaren gevoel in mijn buik had mij doen twijfelen. Dat ik, mede dankzij huisarts en uroloog, deze doemdenkerij heb kunnen achterlaten in Zwolle is maar goed ook, want anders had ik heel wat belevenissen moeten missen. Trouwens, we waren daar in de buurt van Genève. Een grote stad, Zwitserland, degelijkheid. Een logica van niets natuurlijk!

Met een club van 10 mensen was ik in een groot huis, ergens daar waar je jezelf als mens nietig voelt tussen al dat kolossale natuurschoon. De taal en het stokbrood verklapten dat we in Frankrijk waren. Ergens anders had ook gekund.

Die donderdag, twee dagen voor de terugreis, nam in twee opzichten een onverwachte wending. Eén ten positieve, de ander niet. Van tevoren was bekend dat we, naast het in een soort van fietscross-skelter van een berg afdenderen, ook zouden gaan parapenten. Leuk leuk leuk! Echter, een week voor vertrek kreeg ik via een e-mailtje te horen gekregen dat ik helaas niet mee kon doen met het letterlijke hoogtepunt. Ik was, helemaal in combinatie met een karretje waarop ik zou zitten, te zwaar. Een flinke domper, maar ach, ik begreep het ook wel. Ik kon het wel respectloze discriminatie gaan vinden, maar veiligheid boven alles! Echter, op het moment suprême nam de teleurstelling toch de overhand. Zij wel, ik niet.

Bij een laatste poging tot overtuiging vormde mijn oprecht treurige gelaatsuitdrukking een belangrijk aandeel in het groene licht. Zielige Geert werd een bofkont en mocht toch een vlucht maken. Wat onvergetelijk zou dat worden. Toch? Toegegeven, daar hoog boven het meer van Annecy was het niet alleen feest. Nee, niet nu! Mag de jengelkont alsnog mee, wordt hij strontmisselijk! Het was totaal niet eng en het rondjes draaien ging ook prima. Maar als wij weer om wat voor reden opeens tig meten naar beneden zakten, besefte ik mij weer waarom ik geen fan van kermis of Walibi ben.

Toen wij enkele uren later weer in de bus terug zaten sloeg de ellende toe. Overgeven en de eerste aanstalten van het aan de dunne zijn. Eenmaal thuis was het orale gedeelte gestopt, maar sloeg het anale tot de macht drie toe.Deze al met al zeer onsmakelijke, lees: vernederende, situatie en ook nog eens bloed in mijn urinezak overtuigden mij dat er een ambulance moest worden gebeld. Dus toch, dacht ik nog onderweg.

Op de achtergrond was ook nog een tweede avontuur gaande. Nog In Zwolle bleek mijn rolstoel een eigen wil te krijgen. Er was wat aan de hand met motoren, maar wat?! Het leek wel een ongeleid projectiel waar ik op zat.Nee sorry we kunnen niet meer langskomen. De maandag na uw vakantie komen we direct.

Nu, eenmaal thuis, ben ik weer hersteld. Maar mijn rolstoel niet. Nieuwe motoren nodig!

Dus toch, denk ik weer.

vrijdag 6 juli 2018

Paniekzaaier

Misschien herkenbaar, misschien ook niet. Dat bij dat ene woord automatisch een associatie opduikt met een herinnering uit een ver verleden.

Bijvoorbeeld, bij de Tour zie ik mezelf weer langs de weg staan, net buiten Cernay-la-Ville, in de buurt van Parijs. Eind jaren ’70 kampeerden wij daar enkele malen. En daar kwam die dag het wielercircus langs. Een stoet aan reclamewagens en zoef-zoef-zoef, ook nog een peloton.

Als het over bang zijn gaat, dan sta ik weer ergens in de bergen rond het meer van Annecy. Samen met Wyanne en twee vrienden. Na een hele dag wandelen waren we bijna bij de auto. Bijna, alleen nog middels dat pad die ene berg over. Maar al snel bleek dat regenval de route had weggespoeld. Een wanhoopspoging langs een afgrond maakte mij tot tranen toe bang. Via een omweg en een taxi bereikten we enkele uren later onze camping. De auto zagen we pas de volgende dag.

Onlangs moest ik erkennen dat ik nog steeds wel eens een paniekzaaier kan zijn. Mijzelf tekort doen wil ik niet, maar in mijn vorige leven was paniekzaaier nog wel eens ’my second name’. Dit woord brengt mij terug naar die enorme tuin in Spachbrücken waar wij geregeld kamperen. Behorend bij een pastorie en dus de plaatselijke kerk, waar een vriend van mijn ouders Pfarrer was. Hierbij is Nico Haak de verbindende factor tussen woord en de herinnering. Wie? Hij van Nico Haak & De paniekzaaiers, van ’Foxy Foxtrot’. Het zal wederom ergens in de jaren 70 zijn geweest. Ik hoor het mijn vader zingen. Maar, òf die Duitsers konden aanhaken omdat Nico met Foxy Foxtrot ook een hitje had gescoord bij de oosterburen, òf mijn vader deed een hardnekkige poging om eigenhandig een vertaling over te brengen. Dat weet ik niet meer. Vermoedelijk heeft hij vanaf toen het woord opgenomen in zijn vocabulaire. Het is mij geregeld toegeworpen, wanneer ik daar weer eens aanleiding voor gaf.

Verrek, néé! Ziek zijn, prima, maar niet nú! In principe zal ik binnenkort een week in de Franse Alpen vertoeven. Daar mag ik mij pas sinds zo’n half jaar op verheugen. Maar het lukt mister positivo, die er zo prat op gaat goed te kunnen relativeren, dit keer niet om enige negativiteit weg te poetsen. Sinds een week of twee wordt enthousiasme gedwarsboomd door een zeurende pijn in de buik, de linker zij, daar ergens. Nondeju, het gigantisch gave vooruitzicht zal mij toch niet door de neus geboord worden? Over associaties gesproken, zodra ik daar ook maar iets ongewoons voel ben ik op mijn hoede en verplaats ik mij in mogelijke ellende. Dit helaas gebaseerd op ervaringen.

Behalve dat het al geweldig is om tussen kolossale bergen te zijn en ik met een clubje in een mooie en volledig aangepast huis zou zijn, zouden er ook enkele spectaculaire activiteiten worden ondernomen. Iets met hoog, snel en eng! Ook komt in de week de Tour daar in de buurt langs. Daar zou ik ook wel willen kijken. Liefst bergopwaarts, geen zoef-zoef-Zoef

Maar laat ik toch maar positief proberen de blijven en geen paniek zaaien. Want wie zaait zal toch oogsten?

Waar heb ik die oogkleppen?

maandag 25 juni 2018

Misdenken

Stel, ik zou wel weer eens naar het Rijks willen gaan, dan snapt waarschijnlijk iedereen waar ik het over heb. Zo ook als ik over het Wad praat. Onvolledige woorden, noem het termen, maar overduidelijk wat er wordt bedoeld. De Bios, de Mac, Insta, Appie, het Net, de Rabo.

Daarentegen, als ik verkondig dit jaar weer naar het eiland te willen gaan, roept dat gefronste wenkbrauwen op. Eèn eiland kan nou eenmaal wherever liggen, terwijl hèt eiland als naamgeving van alles kan omvatten: een boek, een winkelcentrum, een basisschool. Binnen mijn wereld is er slechts één ‘Eiland’ en sinds kort ook maar één Bea. Bea? Vaag!

Al 10 jaar begeef ik mij in een kring waar het gebruik van termen gangbaar is. Loef, Bakboord, Ree, Draaigijp, de Bertus, de Eduard. In 2008 ging ik naar Robinson Crusoe, een eiland op de Loosdrechtse plassen. Het leek trouwens dat ik mij daar aan een verslaving blootstelde. Andere deelnemers vertelden al voor de 5e, 10e of 30e keer op het eiland te komen. Over vooroordelen gesproken, ik herinner mij het behoorlijk kortzichtig te vinden, jezelf nogal beperkend, als mensen jaarlijks naar dezelfde locatie gaan voor een vakantie. Acht jaar later kwam ik daar voor de negende keer. Het buiten zijn, het grenzen verleggen, wat was het hier gaaf.

Er werd daar ook gesproken over de Bea of de Lut. De wat? De Beatrix of de Lutgerdina, de twee andere accommodaties van Stichting Sailwise. ‘Daar lijkt mij dus niets aan.’ Ik hoor het mijzelf nog denken. Op het eiland kan je tenminste nog kiezen uit verschillende boten, je eigen gang gaan. De Lut of de Bea hebben natuurlijk weinig mogelijkheden. Trouwens, mijn elektrische rolstoel zal daar ook wel ongeschikt voor zijn.

Tot ik twee jaar geleden met een schrijfwedstrijd een verblijf op de Lut won. Behoorlijk bevooroordeeld vertrok ik naar Enkhuizen om drie dagen later compleet gebrainwashed terug te keren. Wat was dat geweldig! Er is nog zoveel mogelijk! Met het met mijn kin sturen van deze kolos misschien wel als climax. Vorig jaar ben ik een week geweest. Akkoord, riant is anders. De beperkte ruimte in de verschillende cabines was wel een dingetje. Maar de combinatie van niet negatief denken en nog positievere herinneringen maakte dat ik mij ook voor dit jaar weer aanmeldde. Dan maar het verstand op nul zetten bij toiletgang, douchen of het in en uit bed gaan.

Onder haar vlag maakt het Nationaal MS fonds ook gebruik van de locaties van Sailwise. Er worden mogelijkheden gecreëerd om samen met andere MS-fans enkele dagen op en om het water te zijn. Helaas, de Lut was dit jaar al volgeboekt, de Bea nog niet. Dan maar daarheen. De Bea ligt in Elahuizen aan de Fluessen, Súdwest-Fryslân, en is een grote catamaran. Het leek mij nauwelijks uitdagend, nogal passief. Slapen doen deelnemers aan de wal en overdag gaat men gezamenlijk het water op. Dacht ik.

Niets was minder waar. Een prachtig aangekleed, ruim gebouw en verschillende mogelijkheden om te zeilen. En veel, heel veel water! Net als op de Lut moest ik ook nu een mening inslikken. Had ik dit maar eerder geweten.

Elk vooroordeel heeft zijn nadeel.